Wonen en Energie in Rijnenburg

Wonen en Energie in Rijnenburg


We hebben in Utrecht te weinig ruimte voor de vele opgaven waar we voor staan. Voor twee opgaven – de woningbouwopgave en de energietransitie - zijn de zinnen op dezelfde locatie gezet: Rijnenburg en Reijerscop. In 2016 is zelfs een motie door de raad aangenomen, motie “Bouwpauze Rijnenburg”[1], waarin wordt benoemd dat tot 2030 geen woningbouw zal plaatsvinden. Sindsdien zijn ideeën voor een energielandschap verder uitgewerkt en samen met initiatiefnemers plannen opgesteld. De winnaar leek energie te zijn. De polder staat echter nog steeds leeg, en de Gemeenteraadsverkiezingen zorgen altijd voor momenten van reflectie. Is het pad dat we in zijn geslagen het goede pad? Is de energietransitie de terechte ‘winnaar’?


De woningnood is groot en Utrecht barst uit zijn voegen. Het binnenstedelijk bouwen waar we tot nu toe op hebben ingezet is onvoldoende gebleken en woningnood is groter dan ooit. Is de ‘bouwpauze’ nog te verantwoorden? Moeten we niet bouwen in Rijnenburg? Het antwoord van Volt Utrecht is ja, we willen bouwen in Rijnenburg; minimaal 25.000 woningen.


We moeten duurzame energie opwekken als we klimaatverandering willen afremmen. In de omgevingsvisie worden de polders Rijnenburg en Reijerscop van de gemeente Utrecht benoemd als tijdelijk Energielandschap en voor de lange termijn als een zoekgebied voor grootschalige integrale ontwikkeling. De RES doelstelling voor Utrecht is om in 2030 in totaal 0,523 TWh duurzame elektriciteit op te wekken[2]. In Rijnenburg wordt 0,123 TWh Zon en 0,120 TWh wind ingerekend. Volt Utrecht wil dat de gemeente klimaatneutraal moet zijn in 2040. Om deze doelstelling te behalen moeten we inzetten op duurzame opwekking. En een deel van die opwek willen we realiseren in Rijnenburg en Reijerscop.


Competitie heeft geen zin als je beiden nodig hebt om te winnen. Volt Utrecht zet zich in op wonen-werken-bereikbaarheid in Rijnenburg. Wij willen de plannen tegelijkertijd uitwerken, maar wel, in plaats van energie, woningbouw het uitgangspunt laten zijn. Als randvoorwaarde voor de ontwikkeling in het gebied stellen we de realisatie van minimaal 25.000 woningen.


Combinatie van wonen en energie


Een combinatie van het bovenstaande betreft een forse ambitie, die wellicht meer vraagt dan Rijnenburg en Reijerscop kunnen bieden. Vandaar dat van de politiek verlangd mag worden dat prioriteiten gesteld worden. Onze voornaamste prioriteit in Rijnenburg en Reijerscop is het verlichten van de wooncrisis. Daartoe willen wij minimaal 25.000 woningen bouwen in het gebied. Hierbij richten we op 40 tot 70 woningen per hectare. Hierbij is rond de 500 hectare in het gebied nodig voor woningbouw met hoogwaardige ov-ontsluiting. Rijnenburg en Reijerscop bestaat totaal uit 1238 hectare[3], waardoor er zo’n 738 Hectare overblijft voor andere opgaven. Dit overgebleven gebied moet onder andere ingezet worden om de hierboven genoemde energie ambities (zoveel als mogelijk) te behalen.


Wind of zon

Er is veel discussie over de vraag of ingezet moet worden op wind- of zonne-energie in het gebied. Hierbij zijn de voornaamste standpunten dat windenergie efficiënter is, maar dat zonne-energie minder overlast veroorzaakt. Volt wil naast woningbouw in het overgebleven gebied de energieopbrengst maximaliseren en wil daarom windmolens niet bij voorbaat uitsluiten, maar dit moet geen ontoelaatbare overlast veroorzaken.


Momenteel is er geen nationale norm voor afstand tussen windmolens en woningen[4]. De Raad van State heeft in een uitspraak over windpark Delfzijl Zuid gesteld dat er voor de nationale regels een planmillieueffectrapportage gemaakt had moeten worden. Dit is niet gebeurd. Als gevolg daarvan zijn de landelijke regels nu niet meer van toepassing. Welke afstand tussen bebouwing en beoogde windturbines in dit specifieke gebied aansluit op een norm is dus aan de hand van de thans geldende landelijke (juridische) kaders niet van tevoren vast te stellen.


Wel is wetenschappelijk onderzoek beschikbaar. Het RIVM benoemt dat hinder het meest genoemde bewezen effect is van wonen in de buurt van windmolens. Hinder wordt beschreven als afkeer, boosheid, onbehagen, onvoldaanheid of gekwetstheid. Bewezen is dat er een verband is tussen het geluidsniveau van windmolens en hinder. Het RIVM benoemt dat op 300 meter afstand van een windturbine, afhankelijk van het type windmolen, het geluidsniveau tussen de 40 á 50 dB(A) ligt. Dit is vergelijkbaar met een koelkast (40 dB(A)) of middelgrote airconditioning (50 dB(A)). Het geluidsniveau neemt na 300 meter nog verder af. 500 meter zou als vuistregel gehanteerd kunnen worden. Het geluidsniveau is echter afhankelijk van veel factoren. Denk hierbij aan het al dan niet aanbrengen van geluidbeperkende maatregelen, het materiaal van de turbine, het al dan niet gebruiken van de ‘geluidarme stand’, de grootte van de turbine en het reeds aanwezig omgevingsgeluid (denk in geval van Rijnenburg aan de snelwegen).


Daarnaast moet samen met de omgeving (belanghebbenden en inwoners) bepaald worden welke afstand gehanteerd wordt. Hierbij moet gesproken worden over welke bovenwettelijke maatschappelijke eisen, zoals afstand van windmolens tot woningen, aan het initiatief gesteld worden zodat het op draagvlak kan rekenen. Alleen als al deze aspecten in onderlinge samenhang zijn onderzocht, kan op een gedegen manier vastgesteld worden hoeveel afstand tot huizen moet worden genomen om geen ontoelaatbare geluidshinder te laten ontstaan.


Als dit helder is, kan vastgesteld worden hoeveel windturbines mogelijk geplaatst kunnen worden (en dus hoeveel windenergie potentieel kan opleveren) in het gebied. Zonder die vaststelling is het onmogelijk om een definitieve vergelijking tussen wind- en zonne-energie te maken. Als weinig windmolens passen is het wellicht beter om in te zetten op zon. Daarom willen wij een gebied selecteren voor het opwekken van energie, maar willen wij de keuze tussen zon en wind uitstellen totdat daar een gedegen vergelijking tussen gemaakt kan worden.


Onze visie op Rijnenburg


Volt Utrecht ziet Rijnenburg en Reijerscop als een plaats voor wonen en opwek van duurzame energie. In dit gebied is ook plek voor recreatie, wordt ecologische kwaliteit geborgd en is het bestand tegen klimaatverandering. Hoe willen we dat realiseren?


Ten eerste zien we Rijnenburg en Reijerscop als proeftuin voor energie-innovatie, onder andere door opwek en gebruik lokaal aan elkaar te koppelen. Hiermee creeër je een flexibel en toekomstbestendig elektriciteitssysteem. Huizen die gebouwd worden in Rijnenburg kunnen standaard uitgerust worden met zonnepanelen op daken en carports. Hiermee kunnen bijvoorbeeld elektrische auto’s gevoed worden. Deze elektrische auto’s kunnen de energie ook weer terugleveren aan het net als dat nodig is.


Ook moeten de huizen energiezuinig zijn. Er moet verkend worden welke duurzame warmte-oplossing geschikt is voor de woningen in Rijnenburg. Denk hierbij aan een warmtenet op bijvoorbeeld aquathermie of geothermie of individuele warmtepompen. Ook kan er ingezet worden op besparing door huizen optimaal te isoleren.


Daarnaast focussen we in Nederland momenteel te veel op gezinswoningen, terwijl we veel alleenstaanden hebben in Utrecht. Als we echt duurzaam willen zijn moeten we ons inzetten voor modulair en circulair bouwen zodat de samenstelling van de bebouwde omgeving aangepast kan worden aan de vraag.


Op de Nedereindse plas kunnen drijvende zonnepanelen geplaatst worden. De plassen zijn momenteel vuil en dus ongeschikt voor recreatie. Alhoewel het aanleggen van drijvende zonnepanelen bevorderlijk is voor de waterkwaliteit in de plas, blijven deze activiteiten verboden. Met een vergunning mag men wel vissen vanaf de waterkant.


Last but not least - willen we klimaatbestendig en waterrobuust bouwen. Wateroverlast is niet altijd te voorkomen en moet meegenomen worden in bouwplannen, zodat geanticipeerd en meebewogen kan worden via bijvoorbeeld waterberging. In het gebied kan ook water zoals een kreek aangelegd worden, met eventueel ruimte om te roeien. Hierlangs kunnen ook recreatieve routes ingepast worden. De kreek kan fungeren als een buffer tussen woningbouw en eventuele opwek van duurzame energie.